Sinds 1839

Een discrete reddingsboei in noodgevallen.

Reeds tijdens de 3e Algemene Leden Vergadering der Maatschappij Arti et Amicitiae, op 19 december 1839, stelde Louis Royer voor een fonds ‘ter verzorging van Weduwen en Wezen van overleden kunstenaars’ te stichten. Die doelstelling werd in de volgende vergadering op voorstel van A.J. Eymer verruimd met de bepaling dat ook steun verleend kon worden aan ‘verdienstelijke kunstenaars welke door lichamelijke gebreken belet zijn hun beroep uit te oefenen’.

Het fonds werd vanaf het begin als een zeer belangrijk onderdeel van de Maatschappij gezien, blijkens deze passage uit een terugblik op de eerste jaren in het jaarverslag over 1847: ‘Wij beschouwen dan ook het Weduwenfonds als het groote plechtanker onzer Maatschappij. Mogten ook ten eenigen tijde. Onverhoopt de kunstenaars minder eendragtelijk zamenwerken, (…) dan toch zal het Weduwenfonds blijven bestaan, want dit is eenmaal voorgoed gevestigd en niet meer onderworpen aan den invloed van menschelijke hartstogten.’

Toen Arti en het Fonds werden opgericht bestonden er geen wettelijke sociale voorzieningen in noodsituaties. De solidariteitsfondsen van de gilden waren in de Franse tijd verdwenen; weeshuizen, hofjes en bejaardenhuizen waren onverplichte instellingen van weldadigheid, hetzij gemeentelijk, hetzij kerkelijk. Mensen in nood hadden geen recht op steun of uitkering. Het WWFonds van Arti was een voor de tijd een uitzonderlijke instelling van beroepssolidariteit, duidelijk bedoeld voor onvoorzienbare gevallen: het overlijden of de invaliditeit van de kostwinner- kunstenaar, individueel te beoordelen door het bestuur van het Fonds.

Aan het in de naoorlogse jaren van de vorige eeuw geweven netwerk van sociale voorzieningen wordt nu door de bezuinigingen geknaagd, maar het bestaat nog steeds. Daar alle leden-kunstenaars van Arti deelnemers in het WWFonds zijn, is het zaak aanvragen voor uitkeringen uit het Fonds te bezien tegen de achtergrond van de bestaande steunregelingen. De oorspronkelijke doelstelling, incidentele steun in noodsituaties, is zo mogelijk nog actueler dan ten tijde van de oprichting, wanneer nu leden kunstenaars door onvoorziene omstandigheden – ziekte, ongeval of iets dergelijks – in moeilijkheden verkeren, het recht om een beroep op het Fonds te doen. Dat wil niet zeggen dat zij het recht hebben op de gevraagde steun.

Het bestuur moet er op kunnen rekenen dat aanvragers de gegevens over hun financiële situatie volledig ter inzage geven, deze gegevens worden vertrouwelijk behandeld. Aan de hand van de binnengekomen aanvragen; en binnen de grenzen van het jaarlijks beschikbare netto inkomen, neemt het bestuur dan de besluiten over het al dan niet verlenen van een bijdrage, rekening houdend met sociale uitkeringen en met de fiscale gevolgen voor de ontvanger. Het gaat telkens om éénmalige bijdragen, nooit om periodieke uitkeringen ter verbetering van het inkomen.

In de beginperiode tot halverwege de jaren vijftig van de negentiende eeuw liepen de maximale uitkeringen, die jaarlijks vast gesteld werden, uiteen van fl 120 tot rond de fl 200 en dat laatste bedrag bleef, met een enkele uitschieter, tot aan het begin van de twintigste eeuw als maximum gehandhaafd. Daarna werd het per persoon maximaal uit te keren bedrag enkele keren verhoogd en vanaf 1930 tot halverwege de jaren zestig bedroeg dit meestal fl 500. De laatste drie decennia van de vorige eeuw en het eerste decennium van de huidige eeuw zijn de uitgekeerde bedragen sterk gestegen, tot soms € 2500, per persoon. Het accent is daarbij steeds meer komen te liggen op het geven van financiële ondersteuning aan kunstenaars zelf inplaats van aan nabestaanden.

Het thans vrij aanzienlijke vermogen, welke o.a. is gegroeid uit contributies, entreegelden, beleggingen, aan- en verkoop van onroerend goed, schenkingen en legaten, dankzij de constructie dat het Fonds een zelfstandige rechtspersoon is, verbonden met maar onafhankelijke van Arti et Amicitiae. Dit komt tot uiting in de samenstelling van haar bestuur: vijf bestuursleden worden op voordracht door de ALV van Arti et Amicitiae benoemd.

Uit het jaarverslag 1894, punt 7. blijkt dat het Fonds een zelfstandige stichting werd die zelf haar kapitaal beheerde. Tot dan toe had de Maatschappij dat gedaan

Mocht Arti om welke reden dan ook worden ontbonden dan blijft het Fonds voortbestaan. Mocht het fonds worden ontbonden, dan moet het batig saldo worden overgedragen aan een of meer instellingen waarvan het doel het meest met de doelstelling van het Fonds overeenkomt; dus nooit aan Arti zelf, of aan de leden van Arti. Het voorgaande neemt niet weg dat het Fonds een belangrijke steun in de rug is voor Arti. Het Fonds mag leningen aan Arti verstrekken, mits tegen marktrente en gedekt door een recht van hypotheek met een ruime overwaarde. Dat is dan ook gebeurd; ongeveer het gehele Fondsvermogen bestaat uit een doorlopende lening aan Arti tegen een matige vaste rente. Bij ontbinding van Arti en verkoop van het huizenbezit moet eerst de lening aan het fonds worden afgelost.

Bronnen:
Statuten van de, Stichting het Fonds voor Weduwen en Wezen van Kunstenaars leden der Maatschappij Arti et Amicitiea. Een vereniging van Ernstige Kunstenaars’ 150 jaar Maatschappij Arti et Amicitiae 1839-1989, Beleid nota voor de 2136 ALV over Het Fonds voor Weduwen en Wezen van Kunstenaars leden van de Maatschappij Arti et Amicitiea